De historie van mejuffrouw Sara Burgerhart - 07

wil ik spreken, dat het niet de pyne waart is, om er zo over aantegaan.
En waarom zouden onze jonge lui niet met malkander te Kerk kunnen gaan?
Hebben wy niet een Heer, een doop? Maar wat hagel hebben wy Leken met
hunne disputen en tandtrekken te doen? Zo dat tegen het Huwelyk heb ik
niet, indien er geen andre dan deeze geloofsverschillen mede gemoeit zyn.
Dat gy van 't Luters geloof zyt, is goed voor u; dat ik op zyn
Gereformeerts geloof, is ook goed voor my. Maar elk zyn vryheid: Gy zyt
immers geen Paus, al ben je Vader? Je kunt immers mis hebben? Of zyt gy
onfeilbaar? Hoe zit het?
Kom aan, daar heb je nu Paulus, de Apostel Paulus, daar gy zo wel aan
gelooft als ik. Wel, die dagt mede al, dat hy 't byster wel hadt; en
dat onze lieve Heer magtig met zynen yver gedient was, dagt hy het
niet? Hoe! de man zeit het zelf; hoe kun je 't nader hebben? dat hy
daar zo liep razen en tieren door Damascus; en wat wil het geval?
Hy hadt het wel net mis! en de brave man heeft er altoos berouw van
gehad, toen hy beter wist. Ik heb voor dertig jaar myn Belydenis
gedaan, by onzen vromen _van der Vorm_, en ik hoop in dat geloof te
sterven; doch als ik eens mogt zien, dat andere Kristenen nader by
Gods woord blyven, fiat! dan moet ik dit licht volgen, en dat zou ik
ook gerust doen; want ik ben een eerlyk man.
Zo dat ik maar zeggen wil, dat ik het Huwlyk om die reden niet kan
afkeuren. Je moest nu evenwel je niet gaan zitten inbeelden, dat ik
met het kind zo goedkoop ben: alheel niet! maar uw Zoon is zulk een
braaf man, daar wil ik maar op komen. Neen, daar heeft zy Goddank te
veel gelds toe, en is zy van te braven familie, en 't is een mooije
Brunet ook, en ze speelt maar capitaal. Sara Burgerhart moet een zo
braaf man hebben als uw Hendrik, en zyne Ouders moeten haar met
achting en liefde in hunne familie nodigen.
Nu, nu, 't zou geen onaartig klugtje wezen, met een Papa die zei: "zo
zal 't wezen, Dochter, want ik versta het zo." Neen man! myn Pupil is
een redelyk schepzel, en zo wil ik, dat zy zal behandelt worden. Daar
hadt men dan 't gooijen in de glazen met Papa Edeling, en myn arme
kind was aan de Joden overgelevert. Ik bedank je hartelyk, hoor. Zie
daar is myn antwoord. Ik blyve

Uw Dienstwillige Dienaar,
ABRAHAM BLANKAART.

Noten:
[1] Bij ingeschoten.
[2] Vlugge.
[3] Onhebbelijk.


TACHTIGSTE BRIEF.--Sara blijft aan Anna schrijven, al zwijgt deze.
Sara blijft Sara; Jacob Brunier blijft vrijen zonder hoop; hij is
jaloersch op Edeling. Maar ... Sara _zelf voelt alleen voor zekeren
R_. Met hem gaat ze veel uit: hij is zoo knap, voornaam, ontwikkeld.
Wat zoekt die R? Haar? Maar zij wil nog geen man. Ze wil Anna dwingen
tot antwoorden en toont zich plaagziek grootmoedig.

EEN EN TACHTIGSTE BRIEF.--Hendrik aan Cornelis: Hij heeft met Sara
gewandeld! Zij heeft hem niet af-, zelfs niet teruggewezen, maar _ook
niet beslist hoop gegeven_. Zij zegt niemand lief te hebben, maar wil
nog niet trouwen! Hij heeft moed.

TWEE EN TACHTIGSTE BRIEF.--Zuzanna aan Cornelia Slimpslamp. Zuzanna
zit in de war, want de vrome Stijntje Doorzicht heeft haar de les
gelezen, ook broeder Benjamin gelaakt. Wat moet ze nu? En Sara vraagt
haar goedje. Ach!

DRIE EN TACHTIGSTE BRIEF. Sara aan Anna: ze heeft een prettig avondje
gehad. Er is mooi gezongen. Hendrik _was er ook_; hij speelt mooi bas.
Cornelia Hartog _was opgewonden_! Alette Brunier was allerliefst; _net
een vrouw voor_ Willem! En Hendrik?... _net een man voor_ Spilgoed.
Zij is wat ouder, nu ja!

VIER EN TACHTIGSTE BRIEF.--Aletta Brunier logeert op _Bosch en
Veldzicht_ en mist Sara. Ze heeft met genoegen Sara hooren spreken
over Edeling; ze verdienen elkaar! Sara wordt ook eens op 't buiten
verwacht.

VIJF EN TACHTIGSTE BRIEF.--Aletta schrijft ook aan Spilgoed, zendt
haar vruchten. Ook zij wordt eens verwacht, met Sara.

ZES EN TACHTIGSTE BRIEF.--Eindelijk antwoordt Anna Willis: _zij bekent
schuld_; de Wed. Spilgoed verdient achting!--Ze wil weer vriendin zijn
met Sara! Een Geldersche dame heeft haar beter ingelicht: die dame
zal ook Sara bezoeken.

ZEVEN EN TACHTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed bedankt Aletta en haar
gastvrouw voor de vruchten. Sara verlangt naar Aletta, dus ze moet
maar gauw komen.


ACHT EN TACHTIGSTE BRIEF.
MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER.

_Chere Letje!_
Wel kind, wat heb je me daar evenwel een lief en verstandig Briefje
geschreven! Kan ik het niet nog meer pryzen? want, al den lof, dien
ik u geef als eene puntige schryfster, kryg ik _immers_ met intrest
te rug? Van my hebt gy _immers_ alles geleert; zeide gy zo niet,
Hartje lief?
Belieft myne Letje nu wel eens geheel aandagt, ja maar ook geheel
onderworpen te zyn? Och, ik heb myn woord gegeven! Zulk een aandrang
kon myn arm zwak hart niet weerstaan! Gy weet, wat ik u geconfideert
heb? Gy kent myne achting voor den Heer Edeling. Gy weet, (of mooglyk
weet gy 't niet; _want weet ik juist zo de geheime historie van uw
hart_!) dat achting natuurlyker wyze in vriendschap, en vriendschap
heel gemaklyk in liefde kan overgaan? Hier uit zult gy kunnen opmaken,
dat het my onmooglyk was, onze Lotje een verzoekje te weigeren. "Daar
heb ik u schoon beet," zeit myn Voogd; en dan lacht de goede man, dat
hy schatert: Nu iets ernstigers!
Gister voormiddag ging myne aangenomen Dochter[1] met de kousjes, die
ik onze Klaartje had laten wasschen en opstryken, naar Oom Dirk.
's Middags niet te huis; dat's een goed teken, zei ik. Ten zeven uuren
werdt de sloof met een sleedje t'huis gebragt: zy kwam blymoedig de
zaal op. Naauwelyks hadt zy ons gegroet, of aan 't uithalen van haar
zakken. Oud en nieuw kwam te voorschyn: Chocolaadjes, Ulefeltjes,
Banket, twee grote kluwens fyne wol, om voor Oom koussen te breyen,
een pakje wol, dikke breinaalden, een doosje met wissewasjes. Zy
presenteerde ons van de snoepery: wy namen elk een Chocolaadje, maar
de Scavante bedankte met een hele viese tronie: "Ik proef nooit zulk
goed." Lotje was zo raar, en hadt zulke klugtige zetten, dat Hartog
zelf lachen moest.
Waarlyk, Lief, ik geloof dat zy meer is uitgebluscht, of overdrommelt,
dan wel dat zy van de Natuur zo geheel misdeelt is. Ziet gy wel, dat
ik veel edelmoediger ben, dan de meeste Doctoren, die de ziektens
hunner Lyders vergroten, om des te meer wonderen in het herstellen aan
den dag te brengen? Och, zo dra zy myne Patiente geworden is, heb ik
gezien, dat zy minder ver verzeilt was, dan ik gevreest had. Zy
verhaalde ons, dat zy uitnement vriendlyk was ontfangen; en dat zy de
vryheid had, om een taffen Sak te kopen, doch dat zy eene der
Juffrouwen zou verzoeken, om met haar te gaan. Zy hadt ook haar
speldegeld, en nog twee ducaten extra gekregen; nu vroeg zy my, of ik
de taf wilde kopen? dat ik met een, gaarn lieve Lotje, beantwoordde.
Toen zy met my, (want zy slaapt nu in myn Pavillioen, en ik slaap in
het uwe, tot gy weer t'huis zyt,) boven was, gaf zy my de twee
ducaten, die zy geleent hadt; ik nam die ook, doch alleen om haar eens
weer te helpen, want ik vrees, dat de duiten spoedig zullen wandelen.
Kon ik haar dat ook beduiden! Nu, alles met den tyd; ik moet niet te
veel gelyk doen. Myn Compliment aan Mevrouw uwe Tante. Hou uw Neef
maar; ik weet met al myn Vryers haast geen weg meer; voor al kom
spoedig by
_Uwe tederliefhebbende_
BURGERHART.

Noot:
[1] Lotje Rien du Tout, (spottend).


NEGEN EN TACHTIGSTE BRIEF.
MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.

_Waarde Willis!_
Victorie! Victorie! myne Vriendin is te regt. Ik heb haar weergevonden!
Frits, loop, draaf, vlieg met dit Paket ten eersten naar den Post:
--zo zal ik binnen weinig oogenblikken zeggen; Want ik sta zo met myn
handschoenen al aan, om met Lotje uittelopen. Kortjes dan. Lees de
nevensgaande een, twee, drie, vier Brieven, en oordeel, of ik misnoegt
op u ben; dit alleen nog: de waarde Dame weet niets, haar betreffende.
Ergo, zwygen is 't woord. Met ons zal 't wel schikken: hoe zeit Vader
Kats?
_Alschoon goe Vrienden kyven_,
_Zy zullen Vrienden blyven_.
Adieu, lieve Willis! Omhels uwe dierbare Moeder voor my, groet myn
Wimpje, en weet, dat gy geacht en bemint wordt door

SARA BURGERHART.


NEGENTIGSTE BRIEF.
MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER.

_Chere Letje!_
Hoe vaart gy, myne Liefde? Hoe diverteert gy u? Denkt gy wel eens aan
uwe Vriendin? Terwyl gy my deeze drie, diepen-aandagt eischende vragen,
op uw gemak oplost, of beantwoordt, zal ik, _pour passer le temps_, u
dit volgende schryven. "Dit volgende, zegt gy, wat "volgende?"--Bemoei
u met de oplossing uwer eige vragen (of myner vragen aan u, zo ge wilt,)
ik blief van u, Mejuffrouw, zo niet _ge-Harlogt_ te worden; en, in alle
geval, gy zult het, dit volgende, immers aanstonds lezen?
Wel, 't is of Heintje Pik, niet Heintje Edeling, dat is nog zo ver
niet--Heintje, neen, deftig, zo als de hele man zelf is, myn Heer
Edeling--of Heintje er mee speelt; want geen half quartier uurs was
ik, met myne Dochter Lotje, by de Desmoisselles geweest, om een Sak
voor haar te kopen, of de Heer R. kwam in. _Mon homme_ was opgetogen
over deeze _heureuse rencontre_! Hy praat, weet gy, aangenaam genoeg;
en hy vroeg spoedig naar _mon Amie_, die hy noemde, _une charmante
Dame_. Dat's voor uw rekening, Letje.
Vriendelyke verzoeken, om, zo ik niets verzuimde, nog wat te vertoeven,
aanhouding van myne Dochter, om nog wat te blyven, wyl zy zich niet
kon verzadigen in het kyken en gluren naar kistjes en doosjes, en
kassen, vol heerlyke Beuzelingen: alles werdt bekeken, geadmireert; met
een woord, verbeeldt u een klein meisje, dat met Moeder voor 't eerst
eens voor een poppenkraam, of daar men speelgoed verkoopt, gebragt wordt;
dat zyn oogjes wyd open doet, beide de vuistjes uitsteekt, en roept en
kraait, en hippelt, en alles wil hebben; dan hebt gy een natuurlyk
afbeeldzel van Lotje. De Heer R. deedt haar een fraaije snuifdoos
present: ik excuseerde my, met te zeggen: "dat ik niet snoof, en nimmer
presenten aannam." Lotje is somwylen nog slim ook; zy hieldt zich, als
of zy dit laatste niet hoorde; en nu is zy zo wys met die doos, dat het
zo niet te zeggen is. Alle oogenblikken wordt hy uit het papier genomen,
bekeken, met een slip van een zakdoek gevreven, en, met de beminlykste
vergenoeging op haar goedaartig grof gelaat, beschouwt! Het spyt my, dat
Oom Dirks koussen nog niet verder zyn dan het boortje: nu, 't zal wel wat
bedaren, en anders moet ik er my mee moeijen.
Wy dronken Thee: de Heer R. en de Desmoiselles spraken van zeker Boek
van _Bitanbe_, genaamt _Jozef_, als van een der fraaiste werken, die
onlangs in 't licht gekomen waren. Hy haalde er eenige treffende
passages van aan. Dit wekte myne nieuwsgierigheid op, om het te zien:
Ik schreef de titel, om het, zo rasch ik t'huis kwam, te laten halen.
Hy merkte dit, en haalde een, in marrokein gebonden, Exemplaar, uit
zyn zak, dat hy my presenteerde: hy hadt het zo van den Binder in
passant meegenomen. Ik vond dit wel beleeft, en oordeelde, dat het
zeer gemaakt in my zyn zoude, iets aftewyzen, waar naar ik verlangde,
en dat my zo heusch gepresenteert werdt. Ik boog en zei, dat ik het
met veel vermaak zoude lezen. Hierop stak hy het in zyn zak, zeggende:
"ik zal de eer hebben om de Dames t'huis te brengen, en dan het Boek
overgeven." Liefst had ik dit niet; maar, dewyl ik geen reden daar van
kon geven, moest ik dit zo laten doorgaan.
Hy bragt ons t'huis, niet langs den kortsten weg: wy ontmoetten den
deftigen Edeling, die ons beleeft groette, en, horende, dat wy naar
huis gingen, ons derwaards verzelde. Zo kwamen wy dan daar aan, en
traden in de zydkamer, alwaar onze waarde Vriendin met Juffrouw Hartog
alleen zat. De laatste las, de eerste naaide, en ik geloof, dat er
niet veel woorden gewisselt waren. Hartog scheen zeer bekent met den
Heer R.; er was eene drukte nog eens zo! allemaal over onze eerste
lui, onze _Patricii_; (verstaat gy dit woord, Letje? anders zal ik het
wel eens uitleggen;) over de laatste Assemblee; over een gevalletje
aan de speeltafel met de Gravin X.; over les Belles Lettres; over
Voltaire, d'Alembert, des Clairauts, en nog wie weet waar al meer van.
De Heer Edeling sprak nu en dan ook een woord, doch de Scavante hadt
er geen attentie voor; en de Heer R. was te beschaaft, om haar
voorbeeld niet te volgen: hy hadt het des met haar heel druk. Onderwyl
verhaalde ik stilletjes aan onze lieve Mama, dat R. zo een fraai Boek
voor ons meegebragt hadt; haar hetzelve noemende. "Ik wou, zei ik, dat
die babbelparty ophieldt, en dat ik het Boek maar had: 't is zo fraai!
Kom, zei Lotje, ik zal je wel helpen: ik heb dat Boek ook van Josep;
't is heel mooi, en ik lees er veel in, als ik naar bed ga." (Hier
volgt de dialoge; ik agter de stoel van de waarde vrouw, wat over haar
heen ziende, Lotje tegen de Commode staande. Edeling zei, dat wy een
fraai groupje maakten; en kon zyn oogen, schynt het, nergens anders
werk geven.)
_Ik_. Wat zegt gy, Lotje, hebt gy dat boek? en hebt gy er ons niets
van gezegt? foei, dat's geniepig.
_Lotje_. Ik dagt, dat het oud vuil was by de Juffrouwen; want ik heb
het al wat[1] gehad; och Heer, anders was 't wel tot uw dienst.
[_Juffrouw Buigzaam en ik keeken elkander aan, of wy zeggen wilden:
hoe! heeft Lotje dat Boek van Bitaube_?"]
_Juffrouw Buigzaam_. En wie is de Auteur, Juffrouw Lotje?
_Lotje_. Ja, dat weet ik niet; maar het is wel het zelfde Boek van
Josep, en het is heel mooi; maar ik word nooit gelooft, en daarom zwyg
ik dikwyls.
_Ik_. Lieve Lotje, ik bid u, haal het Boek, op dat Juffrouw Buigzaam
het aanstonds zie. En nu geef ik u, myn lieve Letje, eens in ernstig
en gemoedelyk overwegen, met welk een Boek het goeje schaap afkwam!
Doch, al hadt gy al de wysheid der Egiptische Tovenaren, die van de
Endorsche[2] Kol, die van Lodippe[3], [ons door Vader Kats zoo aartig
beschreven;] ja al hadt gy de kaart leren leggen by den Drommel op
Marken; al waart gy eene Hartog, in het oplossen van Meet- en
Stelkundige Voorstellen, gy zoudt het nog niet raden; hoor dan den
titel: "_Josephs_ Drouv, end Bli eindend Spel, niet min stichtelick,
als droev en vermakelick, om te lezen: in dry bisondere spelen vervat,
door _A.C. Crous_. Gedrukt te Groningen, 1721." NB. Op den regel:
_All schoon de Nijd met Pylen schiet_,
_God 't all ten best te schikken wiet_.
Het eerste _Diel_ heeft zesentwintig Personen en vyf Choren: met dit
a gouverno: [_men kan het Toneel plaatsen waar men wil, vermits men
doorgaans geen vaste plaats heeft_.] Het Boek zelf is gedrukt met
eenen zwarten, stichtelyken, regtzinnigen Predikatie-Letter.
Wy zagen elkander aan, doch zwegen om het ander gezelschap. Onderwyl
viel myn oog op een passage, daar Josep Fransch spreekt, zeggende:
_Bonjour, Mevrouw Potifars_; en op nog een, daar Potifar tegen zynen
Hansworst zegt: _halt mi den smaul_. Toen barste ik in lachen uit, en
de goede Vrouw, die ik dit influisterde, lachte zo hartlyk, als ik nog
nooit hoorde.
Dit trok den aandagt der overigen; Juffrouw Hartog moest lyden, dat
beide de Heren, schoon zy nog niet wisten waarom, mede lachten.
_De Heer R_. Een nieuw amusant Werkje, Mevrouw Buigzaam?
_Juffrouw Buigzaam_. Niet heel nieuw, maar echter ongemeen genoeg;
de _Historie van Josep, door eenen Crous_, dat stout meisje, _op my
wyzende_, heeft altoos wat potzigs. Dit deedt de lieve Vrouw, om Lotje
te sparen; maar het ging Lotjes kroon te na, schynt het; want zy zei
heel deftig: "Pardonneer my! 't Is myn Boek, en Juffrouw Burgerhart
heeft het nooit gezien." Ik gaf het aan Edeling, die wel dra ook
passages vondt, welke hem deden lachen; zo ook de Heer R., die het een
meesterstuk in zyn soort noemde, en een rol heel eigenaartig van _Mus_
[de Gek van Joseps historie,] oplas. Enfin, Letje, wy bleven zo al
praten van 't een op 't ander; en Saartje gaf het hare in de algemene
Conversatie-uitgift, _comme il faut_. Uw Broer kwam in; bragt een
Brief voor u, en bleef ook zitten. Eindlyk hoorden de Heren, dat Frits
de tafel dekte; zy stonden op, en marsch gingen de Leijonkers[4].
Is die Heer R., vroeg ik aan onze Vriendin, niet een beschaaft geestig
man?
_Juffrouw Buigzaam_. Dat erken ik; maar, myn lieve Saartje hoe komt
het doch, dat hy my niet gevalt? ik begryp dat niet!
_Ik_. En ik begryp het wel. De Heer Edeling is zo zeer uw gunsteling,
dat er voor geen ander bytekomen is.
_Juffrouw Buigzaam_. Zou dat wel zo zyn? Waarom vind ik dan Brunier
niet alleen niet minder, maar beter dan voorheen?
_Ik_. Juist, om dat uw gunsteling hem tot een beter mensch maakt;
't is zyn werk: ergo! maar zeker, hebt gy iets tegen den Heer R.
_Juffrouw Buigzaam_. Ja, Saartje lief, ik heb iets tegen dien man;
wat, weet ik zelf niet.
_Ik_. Zyt gy nu wel rechtvaardig en menschlievent?
_Juffrouw Buigzaam_. Gy hebt recht om my dit te vragen; want, waarlyk,
myne gewaarwording is zo duister! Ik beken, dat het een opvatting zyn
kan. Hy heeft ook al vry veel met u, aan 't vengster staande,
gesproken, en ook zeer zagt.
_Ik_. Och, 't gewone praatje: _que vous etes belle! que je vous
adore_! en zo, wat er meer volgt.
_Juffrouw Buigzaam_. Engel van een Meisje! zie wel toe. Hy is een man
van hoge geboorte, en heeft schatten: Laat hy u niet wat wys maken
[_Ik werd root_.] Gy wordt root, myne Liefde!
_Ik_. Dat is ook zo; wat kan ik het helpen, dat er zulke knapen zyn,
die ons meisjes wat wysmaken? o, Ik zie dat gy my niet kent! Denkt gy,
dat ik zulke snappers de eer aandoe, om immer in 't geheugen te
houden, wat zy my voorgonzen?
_Juffrouw Buigzaam_. De Heer Edeling is een geheel ander man, en die
bemint u waarlyk.
_Ik_. Beide stem ik toe; maar hoe veel achting ik ook heb voor dien
braven man, ik bemin hem niet; ik bemin geen man op de hele Waereld
dan myn Voogd: Nu, hy zal ook fraaije manchetten hebben.
_Juffrouw Buigzaam_. Wilt gy niet eens ernstig zyn?
_Ik_. Geheel ernst, geheel aandagt, geheel--al wat gy maar wilt.
(_Ik kuschte hare hand_.)
_Juffrouw Buigzaam_. Hebt gy den Heer Edeling afgewezen?
_Ik_. Wel, niet anders dan ik u gezegt heb: maar, als de man nu op
hoop tegen hoop aan wil boegzeeren, kan ik dat beletten?
_Juffrouw Buigzaam_. Hebt gy iets tegen den waardigen man? ei lieve,
zeg het my eens!
_Ik_. Wel, zo veel zelf niet als er op de punt van een pennemes zou
kunnen liggen; maar beminnen? o _point! point_. Ik leef hier al te
gelukkig; ik blyf by u, zo lang ik leef.
_Juffrouw Buigzaam_. Zal de Heer Edeling u dan ongelukkig maken?
_Ik_. Niet, ten zy ik het er naar maakte. Hoor, de Heer Edeling is in
myn oogen zulk een agtingwaardig man, dat ik hem eigentlyk niet zou
kunnen of durven beminnen: op myn woord (ik schaam het my ook haast
aan u te zeggen,) ik heb meer eerbied voor hem, dan voor myn
goedaartigen Voogd.
_Juffrouw Buigzaam_. Hoe is dat mooglyk? Wel, me dunkt, de Heer
Edeling is een recht beminlyk man; zyn ernstig gelaat heldert gedurig
op door een zagten glimlach; en wie, denkt gy, vindt zo veel smaak in
uw vernuft?
_Ik_. Vlei my niet! Ik ben geen vrouw voor zo een man. Zie, als ik nu
eens getrouwt was, zou ik myn man zo liefhebben, geloof ik, dat ik,
buiten hem te kwellen, en te liefkozen, niet zou kunnen leven; en op
beide zou zo een deftig man weinig gestelt zyn. Hy zou my voor een
dartel wyfje, en ik hem voor een regten Joris steiloor aanzien. o Dat
zou een pret zyn om dol te worden! Neen: Laat hy u nemen, dan zult gy
beide even gelukkig zyn, en laat my, zonder met Cupido in eenig
verschil te raken, myn _Wegje_ (zeit Tante) zoetzappigjes af kuieren.
_Juffrouw Buigzaam_. Weet gy wat, Liefde? zo ik de jaren van u had, en
de Heer Hendrik beminde my, zo als hy u bemint, geloof my, dat ik hem
nemen zou.
_Ik_. Gy zoudt niet, dan op eene voorwaarde.
_Juffrouw Buigzaam_. En welke voorwaarde?
_Ik_. Dat gy, by myne jaren en zyne liefde, die wysheid bezat, die gy
nu hebt; anders zoudt gy 't niet een zier beter maken, dan ik nu.
_Juffrouw Buigzaam_. Vindt gy ook meer behagen in den Heer R., genomen
dat hy u insgelyks beminde?
_Ik_. Dat kan ik ook nog al zo niet zeggen: maar ik heb geen reden,
dunkt my, om met een van beide iets optehebben, om dat ik geen oogmerk
heb om van hunne overtollige beleeftheid immer gebruik te maken. De
Heer R. handelt my met eene achting, en tevens op zulk eene verpligtende
wys, dat ik, ten zy gy er iets wettigs tegen hebt, my ook geengageert
heb, om morgen een nieuw stuk te zien spelen: hy heeft u insgelyks
verzogt, maar ik heb gezegt, dat ik niet geloofde, dat gy mee gaan zoudt.
_Juffrouw Buigzaam_. Wel, ik weet het niet, zou ik eens van de Party
zyn? ik heb opinie, dat dit stuk schoon is: als ik redelyk wel ben,
zal ik mee gaan.
_Ik_. O, wat zyt gy eene verpligtende Vriendin!
_Juffrouw Buigzaam_. Myne liefde voor u doet my veel doen.
Zeg vry myne _zorg_, viel ik haar in, haar met eerbied omhelzende, en
een kusch gevende.
Zie daar, Letje lief, dit moest ik u schryven. Nu heb ik geen
oogenblik tyd meer. Ik moet my nog opdrillen; Blondel staat reeds naar
my te wagten, om my te kappen. Duizend groeten van
Uwe eigene
SAARTJE.

Noten:
[1] Een poos.
[2] I Sam. XXVIII, 7.
[3] Aspasia en elders.
[4] Begeleiders.


EEN EN NEGENTIGSTE BRIEF.
DE HEER R. AAN DEN HEER G.

_Vriend Jan!_
Hoe dikwyls, dou lompen Kaerel, zal ik u dan moeten zeggen, dat my
alles verveelt, en gy met uwe weergaze aapenkuren, kwakzalvers
loopjes, en zotte uitnodiging, met een paar onzer Lievertjes, nog wel
het allermeest? Wat kan ik, arme duivel, doen; waarom denken, dan aan
de bevalligste meid, die ooit met een paar schone oogen de halve
waereld in oproer stelde?--Gek, ja, stapel zot ben ik na haar; en ik
moet myn rol van Huichelaar spelen, om haar ooit zo naby te komen, dat
ik haar kan inluisteren: _ik bemin u_. Vrouwen, Vrouwen! Wat staat er
niet voor uwe rekening! Nu, wy zullen afrekenen, myn trotsch Meisje!
dat: "ik snuif niet; ik neem nooit geen presenten aan:" zult gy my
betalen. Dit is de eerste oorvyg, welke myne eigenliefde, die waarlyk
tegen de uwe wel opmag, nog ooit van eene schone hand ontfing. En ben
ik niet een schone vent? Kan ik niet beuzelen met de zottinnetjes?
redeneeren met de wysneusjes? Erger ik ooit een Vrouw, die achting
verdient, door het allerminste dubbelzinnig woord? Sloeg ik ooit taal
uit, die _blozen doet_; (ook maar uit welstaans halve?) Er moet een
eind aan komen: zo leef ik eigenlyk niet. Maar welk een einde? Vraagt
gy dat, Ligtmis? Ik een man van geboorte, van middelen; zy een
Burgermeisje, met een stuiver goed? Gy zyt een driedubbelde Uilskop;
of gy wilt my aan 't praten krygen. Trouwen? Zyt gy dan razent dol? Ik
zal, denk ik, tot zulk een disperaat uiterste nooit komen. _Vryheid is
de prikkel der liefde_: dit weet gy is myne spreuk. Als myne Maitres
zal zy _Sultane Favorite_ zyn; maar myn Wyf! Wel foei! Zie daar, dat
was al reden genoeg, by _un homme de mon gout_, om haar ondraaglyk te
vinden. Trouw gy haar over een maand of vier. Zo lang, dunkt my, zal
ik haar beminnen kunnen, en gy zult myne genietingen nieuw leven
byzetten, door my die dan wat moeilyk te maken. Gy weet wel, "dat een
Ligtmis geen recht heeft op eene eerlyke Vrouw?"
Nu, gy hebt haar eens gezien; maar ik verdelg u van den aardbodem, zo
gy haar in 't eerste half jaar weer ziet. o Liefde, liefde! maar welk
een deugeniet ik ook omtrent de Vrouwen ben, ik zal myne drift, die
alleen op myn eigen vermaak uitloopt, met uw gewyden naam niet
opkwikken! Zotte vooroordelen! Krassen in de Lei door een bigotten
Praeceptor daar in gekraaut, anders niet. Hoe zeit myne Hartog: _geluk
is deugd_. Wel zie, Jan, was zy zo lelyk niet, ik gaf haar nog de een
of andere keer een kusch voor dit Zedekundig regeltje. Laten wy toch
ons Ongeloof als helden beleven, en den Duivel niet voor niets dienen.
Nu, myne koets staat gereet; ik ga haar halen: de Dame, daar zy by
logeert, heb ik ook door haar verzogt. o Ik weet wel, dat die niet
uitgaat op zulke partytjes! En de malle meid, die er by was, ook! nu
dat bruit nog wat heen. Ik weet al, hoe ik met haar moet omgaan. Zy
zal bukken voor my, dien zy niet vreest. Mooglyk vorder ik in deeze
laatste vyf uuren reeds merkelyk.
_Tien uuren, des avonds_.
Ik ben woedent, ik zoek met de hele waereld rusie; ik raas op Philips,
of ik dronken ben; en zou u zeer graag by my hebben, om u helder
afterossen. o Gy verachtelyke slaaf myner vermaken! die, om een fraai
kleed, en een goeden maaltyd voor my kruipt. Wat is er nu weer te
doen? vraagt gy, met het air van een berooiden verkwister: zwyg, en
luister.
Geheel opgetogen reed ik na haar toe; werd zeer beleeft door de Weduwe
in de zydkamer begroet; zy zeide my: "dat zy van myne beleeftheid
gebruik zoude maken, dewyl zy meende, dat het Treurspel voortreffelyk
zyn zoude; de Lectuur daar van hadt haar zeer voldaan." Hier jy,
Rembrant, grote afbeelder van ons door driften bezielt gelaat!
Schilder my op dat tempo. Myn bloed steeg my naar 't hoofd; ik had
trekkingen op myne harssens. Zulk een schok ... zulk eene teleurstelling
... Zy merkte het niet; 't was alles als een blixemstraal. Ik herstelde
my zo voort: en, myne hand even aan myne lippen brengende, boog ik
eerbiedig, haar bedankende voor de eere my aangedaan. En zie daar! daar
kwam de eige Zuster der drie Gratien, geheel vrolyk, geheel leven, geheel
ziel, keurlyk gekapt, en op eene edele wys eenvoudig gekleet, aanzweven.
Ik hielp de Dames in de koets; en, toen ik er by was, sprong haar knegt
by den mynen agteroep. Myne Loge alleen was nog ledig; alle oogen waren
op ons. De Weduwe is niet jong meer, maar waarlyk nog eene zeer schone
Vrouw. Myn Wicht? Nu, gy hebt haar gezien? En de malle meid is ook niet
lelyk.
De drommel, Jan, wat moest ik op myn hoede zyn! De Weduwe ... ik weet
het niet, maar my dogt, dat zy, ongemerkt kwasie, alle myne bewegingen
gadesloeg. Ik durfde waaragtig geen eene dier kunstjes gebruiken, die
wy altoos eerst te werk stellen, om eens hoogte te nemen. Er was niet
op, als met deeze slegte kaart zo goed te spelen als ik kon; en hou my
voor een domkop, zo ik de Weduwe, indien die al een galg in 't oog
mogt hebben, niet bedrogen heb. Ik sprak meest met haar, en zo gelyk
ik altoos tegen fatsoenlyke Vrouwen spreek. Wy reden met myn koets
terug, en de Bevalligheid uit de koets helpende, drukte ik hare hand,
doch ik kreeg geen antwoord. Is dat te verdragen? Ik nam beleeft, en
in de zydkamer, afscheid, ootmoedig biddende, om de eer te mogen
hebben, van de Dames myn compliment te komen maken. Kent gy Hein
Edeling? Maar waar zou zulk een Jakhals, als gy, zo een styven Jorden
als hy (die echter een eerlyk man is, hoor ik,) toch ooit gezien
hebben? Hy schynt een vriend der Weduwe te zyn.... Zwyg, zeg ik u;
ik wil er niet van horen! Laat hy 't hart hebben! Maar geen nood, al
stondt Belzebub zelf naar haar Huwlyk, die duizend-kunstenaar zou my
haar niet ontnemen. Ik heb moed, Jan. En wat nu? Ik moet haar alleen
zien te krygen! Kan ik echter voor nog eene teleurstelling my
beveiligen? _Fortuin helpt den stouten_. Daar zyn weer tien ducaten,
Rekel. Kom morgen ogtend hier, zo rasch als gy deezen gelezen hebt,
en breng hem met u, of ik laat u aan u zelf over.
R.


TWEE EN NEGENTIGSTE BRIEF.
DE HEER HENDRIK EDELING AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.

_Myne Waardste!_
Ik ben tweemaal vergeefsch aan uw huis geweest. Eens waart gy met den